Begrippen

Start Omhoog DML Statements DDL Statements Databasenormalisatie Oefeningen Begrippen Datatypes

0 A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

0

.NET-framework

Microsofts uitgebreide ontwikkelplatform voor applicaties. Het omvat componenten als ADO.NET en ASP.NET.

en */

Symbolen die het begin en einde van commentaar aangeven in SQL-script.

<?php en?>

Symbolen die het begin en einde van een PHP-code aangeven in een webpagina.

1-1

Een afkorting voor een een-op-een-relatie tussen entiteiten of tussen rijen van een tabel.

1:N

Een afkorting voor een een.op-veel-relatie tussen entiteiten of tussen rijen van een tabel.

N:M

Een afkorting voor een veel-op-veel-relatie tussen entiteiten of tussen rijen van een tabel.

A

Abstract datatype

In SQL3, een door de gebruiker gedefinieerde structuur met methoden, gegevenselementen en identifiers — een versie van een OOP-object. Persistentie wordt verkregen door het ADT te binden aan een kolom van een relatie.

Abstractie

Een generalisatie van iets wat enkele hopelijk onbelangrijke details verbergt, maar de mogelijkheid biedt om met een breder typeassortiment te werken. Een recordset is een abstractie van een relatie. Een rijset is een abstractie van een recordset.

ACID-transactie

Een afkorting die staat voor: Atomair, Consistent, geïsoleerd en Duurzaam. Bij een atomaire transactie worden alle wijzigingen in de database uitgevoerd als één geheel — ze worden dus of allemaal of geen van alle uitgevoerd. Bij een consistente transactie worden alle bewerkingen uitgevoerd voor rijen in dezelfde logische toestand. Een geïsoleerde transactie is een transactie die niet door andere gebruikers kan worden gewijzigd. Een duurzame transactie is, nadat deze in de database is doorgevoerd, permanent, ongeacht een eventuele volgende storing. Er bestaan verschillende niveaus van consistentie en isolatie. Zoek in de indez onder ‘consistentie op transactieniveau’, ‘consistentie op statementniveau’ en ‘transactie-isolatieniveau’.

Active Server Page

Zie: ASP.

ActiveX-besturingselement

Een ActiveX-object dat interfaces ondersteunt die toestaan dat de eigenschappen en methoden van het besturingselement in veel verschillende ontwikkelomgevingen worden benaderd.

ActiveX-object

Een COM-object dat een ingekorte versie van de OLE-objectspeciflcatie ondersteunt.

ADO

Active Data Objects. Een implementatie van OLE DB die toegankelijk is via objectgeoriënteerde en niet-objectgeoriënteerde programmeertalen — vooral gebruikt als een scripttaalinterface (JScript, VBScript) naar OLE DB.

ADO.NET

Een techniek voor gegevenstoegang die deel uitmaakt van het .NET-initiatief van Microsoft. ADO.NET levert alle mogelijkheden van ADO, maar met een andere objectenstructuur. ADO.NET omvat ook nieuwe mogelijkheden voor het verwerken van XML en het verwerken van datasets. Zie ‘datasets’ voor meer informatie.

ADT

Zie: abstract datatype.

Afhankelijkheidsgrafiek

Een netwerk van knooppunten en lijnen dat de logische afhankelijkheden weergeeft tussen tabellen, views, triggers, opgeslagen procedures, indexen en andere databaseconstructies.

After image

Een record van een database-entiteit (normaliter een rij of een pagina) na een wijziging. Wordt gebruikt in recovery bij het uitvoeren van een rollforward-bewerking.

Algemene entiteit

In IDEFiX, een entiteit die een of meer categorieclusters heeft. De algemene entiteit neemt de rol op zich van een supertype voor de categorie-entiteiten in de categoriecluster.

Alternatieve sleutels

Een synoniem voor kandidaatsleutels in logische IDEFiX-modellen. Eén of meer kolommen die zullen worden geïndexeerd in een frsiek IDEFiX-model.

AMP

Afkorting van Apache, MySQL en PHP/Pearl/Python.

Anomalie

Een ongewenst gevolg van een gegevenswijziging die met name wordt gebruikt bij besprekingen van normalisatie. Bij een invoeganomalie moeten gegevens over twee of meer verschillende onderwerpen worden toegevoegd als er één rij aan een tabel wordt toegevoegd. Bij een verwijderanomalie gaan gegevens over twee of meer onderwerpen verloren als er één rij wordt verwijderd.

API

Zie: applicatieprogramma-interface.

Applet

Een gecompileerd, machineonaffiankelijk Java-bytecodeprogramma dat wordt uitgevoerd door de Java virtuele machine die in een browser is ingebed.

Applicatie

Zie: toepassing.

Applicatiemetadata

Datadictionary — gegevens die betrekking hebben op de structuur en inhoud van toepassingsmenu’s, -formulieren en -rapporten.

Applicatieontwerp

Het creëren van de structuur van programma’s en gegevens om te voldoen aan de specificaties van de toepassing — ook de structuur van de gebruikersinterface.

Applicatieprogramma

Een intern ontwikkeld programma voor het verwerken van een data- base. Het kan zijn geschreven in een standaardtaal zoals Java, C#, VB.NET of C++, of in een taal die bij het DBMS hoort, zoals PL/SQL of T-SQL

Applicatieprogramma-interface (API)

Een verzameling programmaprocedures of functies die kunnen worden aangeroepen om een reeks diensten uit te voeren. De API bevat de namen van de procedures en functies en een omschrijving van de naam, het doel en het gegevenstype van de parameters. Een DBMS-product zou bijvoorbeeld een bibliotheek met functies kunnen leveren voor het aanroepen van bepaalde databasediensten. De namen van de procedures en hun parameters vormen de API voor die bibliotheek.

Applicatiestoring

Een storing bij het verwerken van een DBMS-statement of in een transactie ten gevolge van logische fouten in de toepassing.

Archetype/versie-object

Een uit twee objecten bestaande structuur die verscheidene versies van een gestandaardiseerde grootheid voorstelt — bijvoorbeeld een SOFTWAREPRODUCT (het archetype) en PRODUCTVERSIE (de versie van het archetype). De identifier van de versie bevat altijd het archetype-object.

As

In OLAP, een coördinaat van een kubus of hyperkubus.

ASP

Active Server Page. Een bestand, bestaande uit een markeertaal, serverscript en cliëntscript, dat wordt verwerkt door de Active Server Processor in Microsoft IIS.

ASP.NET

De vernieuwde versie van ASP voor het .NET-framework

Associatieobject

Een object dat de combinatie van minstens twee andere objecten vertegenwoordigt en dat gegevens over die combinatie bevat. Een dergelijk object wordt vaak gebruikt bij toepassingen voor het uitbesteden of toewijzen van zaken.

Atomair

Een groep acties die als een geheel wordt uitgevoerd. Alle acties worden voltooid, of geen ervan.

Atomaire transactie (ondeelbare transactie)

Een groep databasebewerkingen die onderling een logisch verband hebben en als één geheel worden uitgevoerd. Dit houdt in dat of alle bewerkingen, of geen van alle bewerkingen worden uitgevoerd.

Attribuut

(1) Een kolom (veld) in een relatietabel. (2) Een eigenschap van een entiteit of semantisch object. (3) Een gegevens- of relatie-eigenschap in een OOP-object. (4) In het ODMG-93 model, een implementatie van een objecteigenschap in een OOP-implementatie, zoals C++ of Smalltalk.

Autorisatieregels

Een verzameling verwerkingsmachtigingen die opleggen welke bewerkingen gebruikers (groepen) in de database mogen uitvoeren.

AutoNumber

Het gegevenstype in Access 2007 voor het maken van surrogaatsleutels.

B

Basisdomein

In IDEFiX, een domeindefinitie die op zichzelf staat. Er kunnen andere domeinen worden gedefinieerd als subsets van een basisdomein.

Before image

Een record van een database-entiteit (normaliter een rij of een pagina) voordat een gegevenswijziging is uitgevoerd. Wordt bij recovery gebruikt om een rollback-bewerking uit te voeren.

Berekende waarde (computed value)

Een kolom in een tabel waarvan de waarde wordt berekend op basis van andere kolomwaarden. Waarden worden niet opgeslagen, maar worden berekend als ze moeten worden weergegeven.

Bestaansaffhankelijke entiteit

Hetzelfde als een zwakke entiteit. Een entiteit die alleen in de database kan voorkomen als er ook instanties zijn van een of meer andere entiteiten. IDafhankelijke entiteiten vormen een subklasse van bestaansafhankelijke entiteiten.

Bestandsgegevensbron

Een in een bestand opgeslagen ODBC-gegevensbron die via e-mail of op een andere manier onder gebruikers kan worden verspreid.

BI

Zie Business Intelligence.

Binaire relatie

Een relatie tussen precies twee entiteiten of tabellen.

Binding

De koppeling van een programmavariabele of een GUI-besturingselement aan een tabelkolom of een query.

Boomstructuur (tree)

Een verzameling records, entiteiten of andere gegevensstructuren waarin elk element maximaal één parent heeft, behalve het bovenste element, de wortel, die geen parent heeft.

Bottom-up-databaseontwerp

Een databaseontwerpmethode waarbij vanuit het gedetailleerde en specifieke naar een algemene oplossing wordt gewerkt. Deze aanpak leidt vrij snel tot resultaten, maar kan resulteren in een database met een beperkt bereik.

Boyce-Codd-normaalvorm

Een relatie in derde normaalvorm waarin elke determinant een kandidaatsleutel is.

Branch

Zie: tak.

Buffer

Een geheugengedeelte waarin gegevens worden bewaard. Gegevens worden vanaf een opslagmedium in een buffer gelezen en vanuit de buffer naar een opslagmedium geschreven.

Business Intelligence (BI)-Systeem

Informatiesysteem om managers en andere professionals te helpen bij het analyseren van de huidige en vroegere activiteiten en het voorspellen van toekomstige gebeurtenissen. Twee belangrijke categorieën BI-systemen zijn rapportagesystemen en dataminingsystemen.

C

Callback

Een procedure in objectgeoriënteerde programma’s waarbij een object zijn identiteit doorgeeft aan een ander object met de verwachting dat het aangeroepen object het aanroepende object laat weten wanneer er een bepaalde gebeurtenis (went) plaatsvindt. Vaak betekent het optreden van die gebeurtenis dat het aangeroepen object wordt vernietigd, maar de gebeurtenis kan ook een ander doel hebben.

Cartesisisch product

Een relationele bewerking op twee relaties A en B, met als resultaat een derde relatie C die alle mogelijke combinaties bevat van rijen uit A met rijen uit B.

Cascading deletion

Zie: trapsgewijze verwijdering.

Cascading updates

Zie: trapsgewijze updates.

Categoriecluste

In IDEFiX, een groep elkaar tegenzijdig uitsluitende categorie-entiteiten. Zie ook: volledige categoriecluster en onvolledige categoriecluster.

Categorie-entiteit

In IDEFiX, een subtype dat bij een categoriecluster hoort.

Categorisatierelaties

In IDEFiX, een gestructureerde indeling van subtypen. Zie categoriecluster, categorie-entiteit en algemene entiteit.

Central Processing Unit

Zie: CPU.

Check box

Zie: selectievakje.

Checkpoint

Een synchronisatiepunt tussen een database en een transactielog. Alle buffers worden op dit punt geforceerd naar een extern opslagmedium geschreven. Dit is de standaarddefinitie van checkpoint, maar verschillende DBMS-leveranciers gebruiken deze term soms ook op andere manieren.

Child:

Een rij, record of knooppunt aan de veel-kant van een een-op-veelrelatie.

Client-computer

(1) Een pc in een Local Area Network met client-serverarchitectuut In een databasetoepassing verwerkt de dient-computer databaseapplicatieprogramma’s. Verzoeken voor bewerkingen in de database worden naar de databasecomputer gezonden. (2) In de drie- en meerlaagsarchitectuur is het een computer met een browser waarmee toegang tot een webserver mogelijk is.

Client-server-databasearchitectuur

De structuur van een netwerkcomputersysteem waarin één computer (meestal een pc) diensten uitvoert namens andere computers (meestal ook pc’s). In een databasesysteem verwerkt de servercomputer, die ook wel databaseserver wordt genoemd, het DBMS, en verwerken clientcomputers de applicatieprogramma’s. Alle databaseactiviteiten worden uitgevoerd door de databaseserver.

Client-serversysteem

Een systeem met twee of meer computers waarbij minstens één computer diensten verleent aan de overige computers. Deze diensten kunnen databasebewerkingen zijn, maar ook bijvoorbeeld het zorgen voor communicatie of het ter beschikking stellen van printers.

Collection

Zie: verzameling.

COM

Component Object Model. Een Microsoft-specificatie voor het ontwikkelen van objectgeoriënteerde programma’s, die het dergelijke programma’s mogelijk maakt goed met elkaar samen te werken.

COM-object

Een object dat in overeenstemming is met de standaard COM.

Command

Zie: opdracht.

Commit

Een opdracht die aan het DBMS wordt verstrekt om wijzigingen in de database permanent te maken. Zodra de opdracht is verwerkt, worden de wijzigingen op zo’n manier naar de database en een logbestand geschreven dat ze ook nog bestaan na het vastlopen van het systeem of andere storingen. Een doorvoeropdracht wordt meestal aan het eind van een atomaire transactie gebruikt. Zie ook: rollback.

Complex netwerk

Een verzameling entiteiten, objecten of relaties en hun onderlinge verbanden, waarbij minstens één van de relaties complex (dus van het type N:M) is.Component Object Model:

Zie: COM.

Composite group

Zie: samengestelde groep.

Composite key

Zie: samengestelde sleutel.

Composite object

Zie: samengesteld object.

Compound object

Zie: gemengd object.

Conceptueel schema

In het model met drie schema’s, de volledige, logische weergave van de database.

Concurrency (gelijktijdigheid)

Een situatie waarin twee of meer transacties in de database op hetzelfde moment worden verwerkt. In een systeem met één CPU worden de bewerkingen door elkaar heen uitgevoerd — in een systeem met verscheidene CPU’s kunnen de transacties werkelijk gelijktijdig worden uitgevoerd en worden de wijzigingen in de databaseserver door elkaar heen uitgevoerd.

Concurrent processing (gelijktijdige verwerking)

De situatie waarin de CPU gemeenschappelijk wordt gebruikt door diverse transacties. De CPU wordt telkens voor een bepaalde tijd aan elke transactie toegekend via een of ander protocol, bijvoorbeeld ‘round-robin’. De bewerkingen worden zo snel uitgevoerd dat het voor de gebruikers lijkt alsof ze gelijktijdig worden uitgevoerd. In LAN’s en andere gedistribueerde toepassingen wordt concurrent processing gebruikt om te verwijzen naar de (mogebjk werkelijk gelijktijdige) verwerking van toepassingen op verscheidene computers.

Concurrent update probleem (probleem van gelijktijdige wijziging)

Een fouttoestand waarbij de wijzigingen van de ene gebruiker worden overschreven door wijzigingen van een andere gebruiker. Is hetzelfde als het lost update probleem.

Conflict

Twee bewerkingen zijn in conflict als ze tegelijkertijd hetzelfde gegevenselement bewerken en minstens één van de bewerkingen een schrijfbewerking is.

Consistent Schedule

Een geordende lijst transactiebewerkingen voor een database met een consistent resultaat.

Consistente back-up

Een back-upbestand waaruit alle niet doorgevoerde wijzigingen zijn verwijderd.

Consistentie

Twee of meer gelijktijdig uitgevoerde transacties zijn consistent als het resultaat altijd hetzelfde is, ongeacht in welke volgorde de transacties worden uitgevoerd.

Constraint

Zie: randvoorwaarde.

CPU

Central Processing Unit. De centrale verwerkingseenheid van de computer die reken- kundige en logische instructies uitvoert. De term CPU heeft meestal ook betrekking op het werkgeheugen.

CRUD

Een afkorting van Create, Read, Update, Delete, de vier bewerkingen die op databasegegevens kunnen worden uitgevoerd.

Cursor

Een indicator van de huidige positie offocus. (i) In een computerscherm, een knipperend vakje of onderstrepingsteken dat aangeeft waar het volgende ingetoetste teken wordt weergegeven. (2) In een bestand of in een ingebed SQL SELECT-statement is een cursor de identiteit van de volgende te verwerken record of rij.

Cursortype

Een declaratie van een cursor die bepaalt hoe het DBMS impliciete locks plaatst. In dit boek worden vier cursortypen behandeld, namelijk forward only, statische (snapshot), keyset en dynamische.

D

Data Definition Language (DDL)

Een taal die wordt gebruikt voor het beschrijven van de structuur van een database.

Data Manipulation Language (DML)

Een taal die wordt gebruikt voor het verwerken van een database.

Data proponent

Zie: gegevensverantwoordelijke.

Database:

Een zichzelf beschrijvende verzameling geïntegreerde records.

Database herontwerpen

Het proces van het wijzigen van databasestructuren voor het aanpassen van de database aan veranderende eisen (of voor het repareren van de database, om deze de structuur te geven die deze eigenlijk van begin af aan had moeten hebben).

Database Management System

Zie DBMS.

Database save

Een kopie van de databasebestanden waarmee de database kan worden teruggebracht naar een eerdere, consistente toestand.

Databasebeheer

De afdeling binnen een organisatie die zich bezighoudt met het effectief gebruiken en beheren van een bepaalde database en de daarbij horende toepassingen.

Databasebeheerder (DBA)

De persoon of groep die verantwoordelijk is voor het opstellen en handhaven van beleid en procedures voor het beheren en beschermen van een database. Hij of zij werkt volgens richtlijnen van het gegevensbeheer voor het beheren van de databasestructuur, het beheren van wijzigingen en het onderhouden van DBMS-programma’s.

Databasegegevens

Het deel van een database waarin gegevens staan die voor de eindgebruikers van de toepassing van belang zijn.

Databaseserver

(i) De computer in een LAN met een client-server databasearchitectuur, waarop het DBMS draait en die bewerkingen op de database uitvoert namens de
clientcomputers. (2) In de drie- of meerlaagsarchitectuur is dit een computer met een DBMS die reageert op databaseverzoeken van de webserver.

Datadictionary

Een catalogus met database- en applicatiemetadata die voor de gebruiker toegankelijk is. Een actieve datadictionary is een dictionary waarvan de inhoud automatisch door het DBM S wordt bijgewerkt als er wijzigingen in de database- of applicatiestructuur worden aangebracht. Bij een passieve datadictionary moet de inhoud handmatig worden bijgewerkt als er wijzigingen worden uitgevoerd.

Datadictionary- en databasebeheer-subsysteem

Een verzameling programma’s in het DBMS voor het benaderen van de datadictionary en het uitvoeren van functies voor het databasebeheer, zoals het bijhouden van wachtwoorden en het uitvoeren van back-ups en recoverywerkzaamheden.

Datamart

Een soortgelijke voorziening als een datawarehouse, maar voor een beperkt domein. Vaak zijn de gegevens beperkt tot bepaalde typen, zakelijke functies of business units.

Dataminingsysteem

Een business intelligence systeem dat geavanceerde statistische en wis- kundige technieken gebruikt om wat-als analyses te maken, voorspellingen te doen, en beslissingen te ondersteunen. Tegenhanger is rapportagesysteem.

Dataset

In ADO.NET, een alleen in het geheugen bestaande verzameling van tabellen, die niet aan welke database dan ook is gekoppeld. Datasets hebben relaties, referentiële integriteitsvoorwaarden, referentiële integriteitsacties en andere belangrijke kenmerken van databases. Ze worden verwerkt door ADO.NET-objecten. Een enkele dataset kan zichzelf materialiseren in de vorm van tabellen, een XML-document of een XML-Schema.

Datasubtaal

Zie: gegevenssubtaal.

Datawarehouse (gegevenspakhuis):

Een opslagplaats van bedrijfsgegevens die is ontwikkeld om de besluitvorming op managementniveau te vereenvoudigen. Een datawarehouse bevat niet alleen gegevens, maar ook metadata, tools, procedures, opleidingen, personeel en andere bronnen die het verkrijgen van gegevens eenvoudiger en relevanter maken voor besluitvormers.

DBA

Zie: databasebeheerder.

DBMS

Database Management System — een verzameling programma’s voor het definiëren, beheren en verwerken van de database en de bijbehorende toepassingen.

DBMS-engine

Een DBMS-subsysteem dat logische 1/0-verzoeken van andere DBMS-subsystemen verwerkt en fysieke 1/ 0-verzoeken naar het besturingssysteem verstuurt.

DDBMS

Zie: Distributed Database Management System.

DDL

Zie: Data Definition Language.

Deadlock

Een situatie die kan optreden tijdens gelijktijdige verwerking (concurrent processing), waarbij twee of meer transacties allemaal wachten tot ze toegang krijgen tot gegevens die door een van de andere transacties zijn gelockt. Wordt ook wel ‘dodelijke omhelzing’ genoemd.

Deadlockdetectie

Het proces van het bepalen of twee transacties zich al dan niet in een deadlocktoestand bevinden.

Deadlockpreventie

Een manier voor het beheren van transacties die voorkomt dat er een deadiock kan plaatsvinden.

Decision Support System

Zie: DSS.

Default namespace

Zie: standaardnaamruimte.

Definitietools-subsysteem

Het deel van het DBMS-programma dat wordt gebruikt om de databasestructuur te definiëren en te wijzigen.

Derde normaalvorm

Een relatie in tweede normaalvorm zonder transitieve afhankelijkheden.

Determinant

Een of meer attributen die een ander attribuut of andere attributen functioneel bepalen. In de functionele afhankelijkheid (A, B) ® C, dan zijn de attributen (A, B) de determinant.

Dienstverlener

Zie: serviceprovider.

Differentiële back-up

Een back-upbestand waarin alleen wijzigingen staan die zijn uitgevoerd sinds de vorige back-up.

Dimensie

In OLAP, een kenmerk van gegevens dat langs een as wordt uitgezet.

Dirty read

Het lezen van gegevens die zijn gewijzigd maar nog niet definitief in de database zijn doorgevoerd. Zulke wijzigingen kunnen later worden temggedraaid en uit de data- base worden verwijderd.

Discriminator

In IDEFiX, een attribuut van een algemene entiteit die kan worden gebmikt om te bepalen welke categorie-entiteit van een categoriecluster betrekking heeft op een gegeven instantie van een algemene entiteit.

Distributed Database Management System (DDBMS)

In een gedistribueerde database, de verzameling van gedistribueerde transacties en databasemanagers op alle computers.

Distributed Transaction Service (DTS)

Een door Microsoft ontwikkelde OLE-service die gedistribueerde verwerking ondersteunt en, in het bijzonder, een tweefasedoorvoeralgoritme implementeert.

DK/NF:

Zie: domein/sleutel-normaalvorm.

DML (Data Manipulation Language)

Zie: DML.

Document Object Model (DOM)

Een API die een XML-document voorstelt als een boom- structuur. Elk knooppunt van de boomstructuur vertegenwoordigt een deel van het XML-document. Een programma kan een knooppunt van de DOM-representatie direct benaderen en bewerken.

Document Type Declaration (DTD)

Een verzameling markeerelementen die de structuur van een XML-document definieert.

Dodelijke omhelzing

Zie: deadlock.

Doelnaamruimte

Zie: target namespace.

DOM

Zie: Document Object Model.

Domein

Een benoemde verzameling die alle mogelijke waarden bevat die een attribuut kan hebben. Domeinen kunnen gedefinieerd worden door een lijst van toegestane waarden op te geven, of door een regel op te geven die bepaalt welke waarden toegestaan zijn.

Domein/sleutel-normaalvorm (DK/NF)

Een relatie waarbij alle randvoorwaarden logische gevolgen zijn van domeinen en sleutels.

Doorsnederelatie

Een relatie die wordt gebruikt voor het representeren van veel-op-veelrelaties. Bevat de sleutels van de relaties in de relatie. Een doorsnederelatie transformeert een N:M-relatie in twee I:N-relaties. In IDEFiX wordt een doorsnederelatie gebruikt voor het representeren van een niet specifieke relafie.

Downloaden

Het kopiëren van databasegegevens van de ene computer naar de andere, meestal van een mainframe of mini naar een pc of LAN.

Drielaagsarchitectuur (three-tier architecture)

Een computersysteem met een databaseserver, een webserver en een of meer clientcomputers. De databaseserver fungeert als een DBMS, de webserver als een http-server en de dient-computer als een browser. Op elke laag of tier kan een ander besturingssysteem draaien.

Drill-down

Een door de gebruiker gestuurde disaggregatie van gegevens om totalen op een hoger niveau op te splitsen in componenten.

Driver

Zie: stuurprogramma.

Driver manager

Zie: stuurprogramma-manager.

DSD (Data Structure Diagram)

Zie: gegevensstructuurdiagram.

DSS

Decision Support System (beslissingsondersteunend systeem). Een interactieve computertoepassing voor het ondersteunen van te nemen besluiten, vooral als er sprake is van semi-gestructureerde en ongestructureerde problemen. Een dergelijk systeem is vaak voorzien van een database en een query/updatevoorziening voor het verwerken van ad-hocverzoeken.

DTD

Zie: Document Type Declaration.

DTS

Zie: Distributed Transaction Service.

E

ECMASCRIPT-262

De standaardversie van een vrij eenvoudige geinterpreteerde taal voor het verwerken van webserver- en webdient-toepassingen. De Microsoft-versie heet J Script en
de Netscape-versie heet JavaScript.

Een-op-veel-relatie

Een relatie waarbij een parent (of een rij in een parenifabel) gerelateerd is aan veel childinstanties (of rijen in een childtabel). Tegelijkertijd kan een childinstanroordigt tie (of rij in de childtabel) gerelateerd zijn aan slechts een parentinstantie (of rij in de parenttabel).

Een-op-een-relatie

Een relatie waarbij een parent (of een rij in een parenuabel) gerelateerd is aan slechts een childinstantie (of rij in een childtabel). Tegelijkertijd kan een childinstantie (of rij in de childtabel) gerelateerd zijn aan slechts een parentinstantie (of rij in de parenttabel).

Eenlaagsstuurprogramma (single-tier driver)

In ODBC, een databasestuurprogramma dat SQL-statements van de stuurprogramma-manager accepteert en deze verwerkt zonder een ander programma of DBMS aan te roepen. Een eenlaagsstuurbevat programma is zowel een ODBC-stuurprogramma als een DBMS — wordt gebruikt voor bestandsverwerkingssystemen.

Eenvoudig netwerk

(i) Een verzameling van drie relaties en twee relaties waarbij een van de relaties, R, een veel-op-eenrelatie heeft met de andere twee relaties. De rijen in R hebben
twee parents en de parents zijn elk van een ander type. (2) Elke verzameling tabellen en relaties waarin de in (i) gedefinieerde structuur voorkomt.

Eenvoudig object

Een object zonder herhaalde attributen en zonder objectattributen. Eerste normaalvorm: Elke tabel die voldoet aan de definitie van een relatie.

Eigenaar (Owner)

Bij gegevensbeheer, de persoon of afdeling die verantwoordelijk is voor het beheren van een bepaald gegevenselement. Zie ook: gegevensverantwoordelijke.

Eigenschap (property)

Zie: attribuut.

Enkelwaardig attribuut

In een semantisch object, een attribuut met een maximumkardinaliteit van één.

Enterprise Java Beans

Een faciliteit voor het beheren van gedistribueerde objecten en gedistribueerde verwerking in de Java-ontwikkelomgeving.

Entiteit

(1) Iets wat belangrijk is voor een gebruiker, dat in een database moet worden gerepresenteerd. (2) In het E.R.model zijn entiteiten grootheden die beperkt zijn tot op dingen die door een enkele tabel kunnen worden gerepresenteerd.

Entiteit-relatiediagram (E-R-diagram)

Een grafische weergave van entiteiten en hun onderlinge samenhang. Entiteiten worden in het traditionele E-R-model meestal weergegeven als vierkanten of rechthoeken en hun onderlinge samenhang (relaties) door ruitvormige figuren. De kardinaliteit van de relatie wordt binnen de ruit aangegeven. Zie ook: IDEFiX.

Entiteit-relatiemodel (E-R-model)

De constructies en afspraken voor het opstellen van een model van de gebruikersgegevens (zie ook: gegevensmodel). De grootheden uit de gebniikersomgeving worden voorgesteld door entiteiten en de samenhang tussen die grootheden door relaties tussen entiteiten. De resultaten worden meestal gedocumenteerd in een E-R-diagram.

Entiteitsinstantie

Een bepaalde instantie van een entiteit, zoals Medewerker ioo, of de Afdeling Boekhouding.

Entiteitsklasse

Een verzameling entiteiten van hetzelfde type, zoals MEDEWERKER of AFDELING.

Enumeratielijst

Een lijst met toegestane waarden voor een domein, afiribuut of kolom.

Equi-join

De samenvoeging van relatie A met attribuut Ai en B met attribuut Bi met als resultaat een relatie C, zodat voor elke rij in C geldt dat Ai = Bi. De attributen Ai en Bi worden beide in C opgenomen.

E-R-diagram

Zie: entiteit-relatiediagram.

E-R-model

Zie: entiteit-relatiemodel.

Exclusieve lock

Een lock op een gegevensbron, zodat geen andere transactie deze kan lezen of wijzigen.

Expliciete lock

Een lock die het resultaat is van een opdracht in een applicatieprogramma.

Exporteren

Een service van een DBMS die gegevens uit de database extraheert in een bestand. Het bestand is bedoeld om te worden gelezen door een ander DBMS of programma.

Extent (van object)

In het ODMG-model de vereniging (union) van alle objectinstanties. Attributen kunnen uniek worden verklaard binnen de extent van een object.

Extern schema

In het model met drie schema’s, de subset van de database die door een gebruiker of een groep gebruikers wordt bekeken. Synoniem voor gebruikersweergave of user view.

Exteme sleutel (foreign key)

Een attribuut in een tabel dat een sleutel is voor een of meer andere relaties. Wordt gebruikt voor het representeren van relaties.

Extract (uittreksel)

Een deel van een operationele database dat wordt gedownload naar een LAN of pc waar de gegevens lokaal worden verwerkt. Dergelijke uittreksels worden gemaakt om communicatiekosten en -tijd te besparen bij het zoeken in en maken van rapporten van gegevens die door transactieverwerking zijn gecreëerd.

F

F-score

De frequentie (in RFM-analyse) die weergeeft hoeveel keer een klant een aankoop doet.

Flat file (plat bestand)

Een bestand met slechts één waarde in elk veld. De betekenis van een kolom is in elke rij gelijk.

Force-write (geforceerde schrijfinstructie)

Het wegschrijven van databasegegevens waarbij het DBMS wacht op bevestiging van het besturingssysteem dat het after image van de schrijfinstructie met succes naar het logbestand is geschreven.

Foreign key

Zie: externe sleutel.

Forward engineering

Het geautomatiseerde proces dat wijzigingen in het gegevensmodel gebruikt voor het uitvoeren van wijzigingen in de databasestructuur. Forward engineering wordt geleverd als een mogelijkheid van hulpprogramma’s voor gegevensmodellering, zoals ERWin en Visio.

Fragment

Een rij in een tabel (of een record in een bestand) waarin een vereiste parent of child ontbreekt. Bijvoorbeeld een rij in een ORDERREGEL-tabel waarvoor geen ORDER- rij bestaat.

Functionele afhankelijkheid

Een relatie tussen attributen waarbij de waarde van een attribuut of een groep attributen de waarde van een ander attribuut bepaalt. De uitdruklcingen ‘X — Y’, ‘X bepaalt Y’ en ‘Y is functioneel afhankelijk van X’ betekenen dat we de waarde van Y kunnen bepalen als we de waarde van X kennen.

Fysieke sleutel

Een kolom waarvoor een index of een andere gegevensstructuur is gecreëerd. Een synoniem voor een index. Dergelijke structuren worden gecreëerd om kolomwaarden sneller te kunnen doorzoeken en sorteren.

G

Gebruikersgegevensbron

Een ODBC-gegevensbron die alleen beschikbaar is voor de gebruiker die hem heeft gecreëerd.

Gecorreleerde subquery

Een soort subquery waarin een element in de subquery naar een element in de omvattende query verwijst. Dergelijke subquery’s vereisen geneste verwerking.

Gedeelde lock

Zie: shared lock.

Gedistribueerd databasesysteem

Een gedistribueerd systeem waarin (delen van) een data- base worden verdeeld over twee of meer computers.

Gedistribueerd systeem

Een systeem waarin de applicatieprogramma’s van een database op twee of meer computers worden verwerkt.

Gedistribueerde database

Een op twee of meer computers opgeslagen database. Gedistribueerde gegevens kunnen al dan niet gepartitioneerd en al dan niet gerepliceerd zijn.

Gedistribueerde databasetoepassing

Een zakelijk computersysteem waarbij het ophalen en bijwerken van gegevens is verdeeld over twee of meer onafhankelijke en meestal geografisch van elkaar gescheiden computers.

Gedistribueerde databaseverwerking:

Databaseverwerking waarbij transactiegegevens worden opgehaald en bijgewerkt die zijn verdeeld over twee of meer onafhankelijke en meestal geografisch van elkaar gescheiden computers.

Gedistribueerde tweefaselocking

Tweefaselocking in een gedistribueerde omgeving. Locks worden over alle knooppunten in het netwerk geplaatst en vrijgegeven. Zie ook: tweefaselocking.

Geforceerde schrijfinstructie

Zie: force-write.

Gegeneraliseerde hiërarchie

Een verzameling objecten of entiteiten van hetzelfde logische type die zijn gerangschikt in een hiërarchie van logische subtypen. MEDEWERKER heeft bijvoorbeeld als subtypen INGENIEUR en ACGOUNTASTT, en INGENIEUR heeft als subtypen ELEKTROTECHNISCH INGENIEUR en WERKTUIGBOUWKUNDIG INGENIEUR. Subtypen erven de kenmerken van hun supertypen.

Gegevensbeheer

De activiteiten ten behoeve van de gehele onderneming die betrekking hebben op het effectief gebruiken en het beheren van de gegevens binnen de organisatie. Dat kan door één persoon gedaan worden, maar het wordt meestal door een groep gedaan. Specifieke taken zijn het opstellen van gegevensstandaarden en -beleid en het bemiddelen bij gegevensconflicten. Zie ook: databasebeheerder.

Gegevensbron

In de ODBC-standaard is dit een database, samen met het bijbehorende DBM S, besturingssysteem en netwerkplatform.

Gegevensconsument

Een gebruiker van OLE DB-functionaliteit.

Gegevenseigenaar

Zie: gegevensverantwoordelijke.

Gegevenselement

(1) Een logische groep bytes in een record, meestal gebruikt bij bestandsverwerking. (2) In de context van het relationele model is het een synoniem voor attribuut.

Gegevensintegriteit

De toestand van een database waarbij aan alle randvoorwaarden wordt voldaan — heeft meestal betrekking op referential integrity constraints waarbij de waarde van de externe sleutel moet voorkomen in de tabel waarin deze externe sleutel de primaire sleutel is.

Gegevensleverancier (data provider)

Een leverancier van OLE DB-functionaliteit. Voorbeelden zijn leveranciers van tabelgegevens en serviceproviders.

Gegevensmodel

(1) Een model van de gegevensbehoefte van de gebruikers, uitgedrukt in termen van het ER-model of het semantische objectmodel. Wordt ook wel gebruikersgegevensmodel genoemd. (2) Een taal voor het beschrijven van de structuur en het verwerken van een database.

Gegevensreplicatie

Een term die aangeeft of een deel van de gegevens of alle gegevens in een database op meer dan één computer staan. Als dat het geval is, zijn de gegevens gerepliceerd.

Gegevensstructuurdiagram

Een grafische weergave van tabellen (bestanden) en hun onderlinge relaties. De tabellen worden als rechthoeken weergegeven en hun onderlinge relaties door verbindingslijnen. De veel-kant van een relatie wordt aangegeven door een vork aan het eind van de lijn, een optionele relatie wordt met een rondje aangeduid en een verplichte relatie wordt voorzien van een streepje.

Gegevenssubtaal

Een taal voor het definiëren en verwerken van databases, die is bedoeld om te worden ingebed in programma’s die in een andere taal zijn geschreven — meestal is dat een proceduregerichte taal zoals Java, C# of Visual Basic of C÷+. Een gegevenssubtaal is een incomplete programmeertaal, omdat deze alleen constructies omvat voor het krijgen van toegang tot gegevens.

Gegevensverantwoordelijke (data proponent)

In het gegevensbeheer, een afdeling of een andere organisatie-eenheid die verantwoordelijk is voor het beheren van een bepaald gegevenselement.

Gelabelde naamruimte

In een XML Schemadocument, een naamruimte waaraan een naam (label) wordt gegeven in het document. Van alle elementen die vooraf worden gegaan door de naam van de gelabelde naamruimte wordt aangenomen dat ze in die gelabelde naamruimte zijn gedefinieerd.

Gelijktijdige verwerking

Zie: concurrent processing.

Gemengd object (compound object)

Een object dat minstens één ander object bevat.

Gemengde partitie

Een combinatie van een horizontale en een verticale partitie. Bijvoorbeeld de eerste drie kolommen van de eerste drie rijen in een tabel met vijf kolommen en vijf rijen.

Generalisatieobject

Een object dat subtype-objecten bevat. Het generalisatieobject en zijn subtypen hebben allemaal dezelfde sleutel. Subtype-objecten erven attributen van het generalisatieobject. Een generalisatieobject wordt ook wel een supertype-object genoemd.

Gerepliceerde gegevens

In een gedistribueerde database, gegevens die op twee of meer computers zijn opgeslagen.

Graad

Bij relaties in het ER-model, het totale aantal entiteiten dat aan de relatie deelneemt. Dergelijke relaties zijn vrijwel altijd van de graad 2.

Granulariteit

De omvang van de te locken databasebron. Als de gehele database wordt gelockt, is de granulariteit grof, als een kolom van een afzonderlijke rij kan worden gelockt, is er sprake van een erg fijne granulariteit.

Groeifase

De eerste fase bij tweefaselocking waarin locks worden geplaatst maar niet worden

Groepsidentifier

Een attribuut dat een unieke instantie van een groep identificeert binnen een semantisch object of een andere groep.

H

HEEFT-EEN-relatie

Een relatie tussen twee entiteiten of objecten van een verschillend logisch type. Bijvoorbeeld MEDEWERKER HEEFT-EEN AUTO. Zie ook: IS-EEN-relatie.

Hiërarchisch gegevensmodel

Een gegevensmodel dat alle verbanden weergeeft met behulp van hiërarchieën of boomstructuren. Netwerkstructuren moeten eerst in boomstructuren worden omgezet voordat ze door een hiërarchisch gegevensmodel kunnen worden voor
gesteld. DL/I is het enige nog bestaande voorbeeld van een hiërarchisch gegevensmodel.

HOLAP

Hybride OLAP, waarbij gebruik wordt gemaakt van een combinatie van ROLAP en voor het ondersteunen van van OLAP-verwerking.

Horizontale beveiliging

Beperkte toegang tot bepaalde rijen van een tabel of join.

Horizontale partitie

Een deelverzameling van een tabel die bestaat uit complete rijen van de tabel. Bijvoorbeeld de eerste vijf rijen in een tabel met tien rijen.

Hostvariabele

Een variabele in een applicatieprogramma waarin een DBMS een waarde uit de database kan plaatsen.

HTML

Zie: HyperText Markup Language.

Http

Zie: HyperText Transfer Protocol.

Hybride object

Een object met een meerwaardige groep die minstens één objectattribuut bevat.

Hyperkubus

In OLAP, een presentatiestructuur met vier of meer assen waarlangs gegevens- dimensies worden uitgezet. De maateenheden van de gegevens staan in de cellen van de hyperkubus. Zie ook: kubus.

HyperText Markup Language (HTML)

Een gestandaardiseerd systeem waarbij wordt gewerkt met tags voor het opmaken van tekst en het opnemen van afbeeldingen en andere niet-tekstbestanden en het opnemen van verwijzingen of links naar andere documenten.

HyperText Transfer Protocol (http)

Een gestandaardiseerde methode voor het overdragen van HTML-documenten over netwerken via TCP/IP.

I

ID-afhankelijke entiteit

Een entiteit die logisch gezien alleen samen met een andere entiteit kan bestaan. Een AFSPRAAK kan bijvoorbeeld alleen bestaan als er ook een KLANT is waarmee die afspraak is gemaakt. De identifier van de ID-afhankelijke entiteit bevat altijd de sleutel van de entiteit waarvan zij afhankelijk is. Dergelijke entiteiten zijn een subset van een zwakke entiteit. Zie ook: sterke entiteit en zwakke entiteit.

IDEFiX

Een versie van het entiteit-relatiemodel dat in 1993 tot een Amerikaanse nationale standaard is benoemd.

Identificerende verbindingsrelatie

In IDEF1X, een 1:1 of 1:N HEEFT-EEN-relatie waarin de childentiteit ID-afhankelijk is van de parent.

IIS

Internet Information Server. Een Microsoft-product dat als een http-server fungeert. IIS wordt bij Windows Professional 2000/XP geleverd.

Implementatie

In OOP, een verzameling objecten die een instantie maakt van een bepaalde OOP-interface.

Impliciete lock

Een lock die automatisch door het DBMS wordt geplaatst.

Importeren

Het inlezen van bestanden of gegevens door het DBMS.

Inconsistent read probleem

Een anomalie die optreedt bij gelijktijdige verwerking, waarbij transacties een reeks leesacties uitvoeren die niet consistent met elkaar zijn. Kan worden voorkomen door tweefaselocking en andere strategieën.

Inconsistente back-up

Een back-upbestand die niet-doorgevoerde wijzigingen bevat.

Index

Overheadgegevens die worden gebruikt voor het verbeteren van de toegankelijkheid en de prestaties van het sorteren. Indexen kunnen worden geconstrueerd per kolom of voor groepen kolommen. Ze zijn vooral handig voor kolommen die worden gebruikt voor control breaks in rapporten en voor het opgeven van voorwaarden in joins.

Information Engineering

Een door James Martin ontwikkelde versie van het entiteit-relatiemodel.

Ingebouwde functie (standaardfunctie)

In SQL zijn dit bijvoorbeeld de functies COUNT, SUM, AVG, MAX en MIN.

Ingekapselde gegevens

Eigenschappen of attributen in een programma of object die niet zichtbaar of toegankelijk zijn voor andere programma’s of objecten.

Ingekapselde structuur

Een deel van een object dat niet zichtbaar is voor andere objecten.

Inheritance

Zie: overerving.

Inner join

Synoniem voor Join. Zie ook: outer join.

Instantiestoring

Een storing in het besturingssysteem of de hardware die ervoor zorgt dat het DBMS niet meer werkt.

Integrated Definition 1, Extended

Zie: IDEF1X.

Integrated definition for information modeling

Zie: IDEF1X.

Interface

(1) De wijze waarop twee of meer programma’s met elkaar communiceren — de definitie van de proceduregerichte aanroepen tussen twee of meer programma’s. (2) In OOP, het ontwerp van een verzameling objecten waaronder de namen, methoden en attributen van die objecten.

Intern schema

In het model met drie schema's, een representatie van een conceptueel schema, zoals dat fysiek wordt opgeslagen met een bepaald product en/of een bepaalde techniek.

Internet Information Server

Zie IIS.

Invoeganomalie

In een relatie, de situatie die optreedt als er gegevens over twee of meer logisch gezien verschillende onderwerpen moeten worden toegevoegd om een complete rij aan een tabel te kunnen toevoegen.

IS-EEN-relatie

Een relatie tussen twee entiteiten of objecten van hetzelfde logische type, waarbij de ene entiteit een subtype is van de andere. Een INGENIEUR is bijvoorbeeld een subtype van MEDEWERKER en heeft een IS-EEN-relatie met MEDEWERKER.

Isolatieniveau

Zie: transactie-isolatieniveau.

IUnknown

Een ActiveX-interface waarin een ActiveX-programma een ander, onbekend ActiveX-programma kan aanroepen. Zodra er een verbinding tot stand is gebracht, kan het eerste programma gebruikmaken van de queryinterface om te bepalen welke objecten, methoden en eigenschappen het tweede programma ondersteunt.

J

Java

Een objectgeoriënteerde programmeertaal met een beter geheugenbeheer en een betere array grenscontrole dan C++. Deze taal wordt voornamelijk gebruikt voor Internettoepassingen, maar kan ook als een gewone programmeertaal worden gebruikt. Java-compilers genereren Java-bytecode die op cliëntcomputers wordt geïnterpreteerd.

Java Server Page (JSP)

Een combinatie van HTML en Java die wordt gecompileerd in een Java-servlet die een subklasse is van de klasse HttpServlet. Java-code die is ingebed in een JSP heeft toegang tot http-objecten en -methoden. JSP-pagina’s worden op vrijwel dezelfde manier gebruikt als ASP-pagina’s, maar worden gecompileerd en niet geïnterpreteerd zoals bij ASP-pagina’s het geval is.

Java virtuele machine

Een Java-bytecode-interpreter die draait onder een bepaalde machine- omgeving, zoals Intel 386 of Alpha. Zulke interpreters zijn meestal ingebed in browsers of maken deel uit van het besturingssysteem of van een Java-ontwikkelomgeving.

Java-bean

Een Java-klasse die zich op de juiste manier gedraagt. Beans hebben geen openbare instantievariabelen — al hun persistente waarden worden benaderd via accessormethoden en ze hebben geen constructors, of precies één expliciet gedefinieerde constructor zonder argumenten.

JavaScript

Een scripttaal van Netscape. De Microsoft-versie heet JScript en de standaardversie heet ECMAScript-262. Dit zijn vrij eenvoudig te leren geïnterpreteerde talen voor het verwerken van webserver- en webclient-toepassingen. Wordt soms geschreven als ‘Java Script’.

Java-servlet

Zie: servlet.

JDBC

Een standaardinterface aan de hand waarvan in Java geschreven applicatieprogramma’s SQL-databases (of tabelstructuren zoals spreadsheets en teksttabellen) op een DBMS-onaffiankelijke manier kunnen benaderen en verwerken. De naam is geen afkorting van Java Database Connectivity.

Join (samenvoeging)

Een relationele algebrabewerking op twee relaties A en B, met als resultaat een relatie C. Een rij van A wordt alleen aaneengeschakeld met een rij van B tot een rij in C als de rijen in A en B voldoen aan beperkingen voor hun waarden. Als Ai bijvoor. beeld een attribuut in A is en Bi een afiribuut in B, dan resulteert de join van A en B met als randvoorwaarde Ai < Bi in een relatie C met de aaneenschakeling van rijen in A en B waarvoor geldt dat de waarde van Ai kleiner is dan de waarde van Bi. Zie ook: equi-join en natural join.

J Script

Een scripttaal van Microsoft. De Netscape-versie heet JavaScript en de standaardversie heet ECMAScript-262. Dit zijn vrij eenvoudig te leren geïnterpreteerde talen voor het verwerken van webserver- en webclient-toepassingen.

JSP

Zie Java Server Page.
 

K

Kandidaatsleutel

Een attribuut dat of een groep met attributen die een rij in een relatie op unieke wijze identificeert. Een van de kandidaatsleutels wordt gekozen als de primaire sleutel.

Kardinaliteit

In een binaire relatie, het maximaal toegestane of minimaal benodigde aantal elementen aan elke kant van de relatie. De maximumkardinaliteit kan i:i, i:N, N:i of N:M zijn. De minimumkardinaliteit kan optioneel-optioneel, optioneel-verplicht, verplicht-optioneel of verplicht-verplicht zijn.

Keuzelijst (list box)

In een GUl-omgeving, een element van de gebruikersinterface waarin een lijst met keuzemogelijkheden in een rechthoek wordt weergegeven. Het door de gebruiker met de cursor aangewezen item wordt in een andere kleur weergegeven dan de overige regels in de lijst.

Keuzerondje (option btton, radio button)

In een GUl-omgeving, een element van de gebruikersinterface waarin de gebruiker een item uit een lijst kan kiezen. Als op het ene rondje wordt geklikt, wordt automatisch de selectie van elk ander eventueel op dat moment geselecteerde rondje ongedaan gemaakt. Werkt dus als de zenderkeuzeknop op een radio en is hetzelfde als een ‘radio button’, maar is wegens auteursrechten onder een andere naam geïntroduceerd.

Key

Zie: sleutel.

Klassenattributen

In UML (Uniform Modeling Language) zijn dat attributen die betrekking hebben op de klasse van alle entiteiten van een bepaald type.

Knooppunt (Node)

(1) Een entiteit in een boomstructuur (2) Een computer in een systeem voor gedistribueerde verwerking.

Kolom

Een logische groep bytes in een rij van een relatie of een tabel. De betekenis van een kolom is gelijk voor elke rij in de relatie.

Kolomobject

In Oracle, een objectstructuur die is opgeslagen in een tabelkolom.

Krimpfase

In tweefaselocking, de fase waarin locks worden vrijgegeven en er geen locks meer worden geplaatst.

Kubus

In OLAP, een presentatiestructuur met assen waarlangs gegevensdimensies worden geplaatst. Maateenheden van de gegevens staan in de cellen van de kubus. Zie ook:
hyperkubus.

L

LAMP

AMP dat onder Linux draait. Zie AMP.

Leden (members)

In OLAP, de waarden van een dimensie.

List box

Zie: keuzelijst.

Lock

Het proces van het toekennen van een databasebron aan een bepaalde transactie in een systeem voor gelijktijdige verwerking. De omvang van de gelockte bron staat bekend als de lockgranulariteit. Bij een exclusieve lock kan geen enkele andere transactie de bron lezen of ernaar schrijven. Bij een shared lock mogen andere transacties de bron wel lezen, maar er niet naar schrijven.

Lockgranulariteit

De omvang van een gelockt gegevenselement. De lock van een kolomwaarde van een bepaalde rij is een lock met een fijne granulariteit en de lock van een complete tabel is een lock met een grove granulariteit.

Log (logboek)

Een bestand waarin alle databasewijzigingen worden vastgelegd. Het log bevat before images en after images.

Lost update probleem

Zie: concurrent update probleem.

M

M-score:

Score (in RFM-analyse) die weergeeft hoeveel geld een klant per aankoop besteedt.

Many-to-many (N:M) relatie

Zie: veel-op-veel-relatie.

Maateenheid

In OLAP, de brongegevens voor de kubus — gegevens die in de cellen worden weergegeven. Dat kunnen oorspronkelijke gegevens zijn, of functies van deze gegevens, zoals SUM, AVG of andere berekeningen.

Materialisatie

Een databaseview zoals die verschijnt in een formulier, rapport of webpagina.

Maximumkardinaliteit

(1) In een E-R-relatie, het maximale aantal entiteiten dat aan een gegeven entiteit mag zijn gerelateerd. (2) In een relationele ontwerprelatie, het maximale aantal rijen dat aan een gegeven rij mag zijn gerelateerd.

Me

In OOP, een speciale pointer naar de huidige objectinstantie. Me.Naam verwijst bijvoorbeeld naar het attribuut Naam van het huidige object.

Mediastoring

Een storing die optreedt als het DBMS niet naar een schijfkan schrijven. Wordt meestal veroorzaakt door een schijfcrash of een andere schijfstoring.

Meerlaagsstuurprogramma (multiple-tier driver)

In ODBC, een uit twee delen bestaand stuurprogramma dat meestal voor een client-server-databasesysteem wordt gebruikt. Het ene deel van het stuurprogramma bevindt zich op de dient en communiceert met de toepassing en het andere deel staat op de server en communiceert met het DBMS.

Meerwaardig attribuut

Het attribuut van een semantisch object met een maximumkardinaliteit groter dan één.

Meerwaardige afhankelijkheid

Een situatie in een relatie met drie of meer attributen waarbij onafhankelijke attributen relaties lijken te hebben die ze in werkelijkheid niet hebben. Er is formeel sprake van meerwaardige afhankelijkheid in een relatie R(A, B, C) met de sleutel (A, B, C) als A verscheidene waarden van B (of van C of van beide) bepaalt en B en C onafhankelijk van elkaar zijn. Een voorbeeld is de relatie MEDEWERKER (MwNummer, MwFunctie, MwOndergeschikte), waarbij een medewerker verscheidene functies en verscheidene ondergeschikten kan hebben. MwFunctie en MwOndergeschikte hebben geen onderlinge relatie, hoewel ze wel samen in de relatie voorkomen.

Members

Zie: leden.

Menu

Een lijst met keuzemogelijkheden in een databasetoepassing (of een andere toepassing). De gebruiker selecteert de volgende actie of activiteit uit een lijst. Mogelijke acties zijn beperkt tot die in de lijst. Zie ook: opdracht.

Metadata

Gegevens over de structuur van gegevens in een database, opgeslagen in de datadictionary. Metadata worden gebruikt voor het beschrijven van tabellen, kolommen, randvoorwaarden, indexen enzovoort. Zie ook: applicatiemetadata.

Methode

Een programma dat gekoppeld is aan een objectgeoriënteerd programmeerobject (OOP-object). Een methode kan worden geërfd door OOP-objecten van een lager niveau.

Minimumkardinaliteit

(1) In een ER-relatie, het minimale aantal entiteiten dat aan een gegeven entiteit moet zijn gerelateerd. (2) In een relationele ontwerprelatie, het minimale aantal rijen dat aan een gegeven rij moet zijn gerelateerd.

Modificatieanomalie

Zie: wijziginganomalie.

MOLAP:

Meerdimensionale OLAP met behulp van een speciale processor voor het ondersteunen van OLAP-verwerking.

Multiple-tier driver:

Zie: meerlaagsstuurprogramma.

Muteerbaar object:

In de standaard ODMG, een object waarvan de attributen kunnen worden gewijzigd.

N

N:M

Een afkorting voor een veel-op-veelrelatie tussen entiteiten of rijen van een tabel.

Natural join

Een join tussen een relatie A met attribuut Ai en een relatie B met attribuut Bi waarbij Ai gelijk is aan Bi. De resulterende relatie C bevat kolom Ai of kolom Bi, maar niet beide. Zie ook: equi-join.

Netwerk

(1) Een groep met elkaar verbonden computers, (2) een intranet of (3) het Internet.

Netwerkgegevensmodel

Een gegevensmodel dat minimaal eenvoudige netwerkrelaties ondersteunt. Het CODASYL DBTG-model is het bekendste netwerkgegevensmodel — dit model ondersteunt eenvoudige netwerkrelaties, maar geen complexe relaties.

Niet-identificerende verbindingsrelaties

In IDEF1X, i:i en 1:N HEEFT-EEN-relaties waar geen ID-afhankelijke entiteiten bij betrokken zijn.

Niet-muteerbaar object

In de standaard ODMG, een object waarvan de attributen niet kunnen worden gewijzigd.

Niet-objectattribuut

Een attribuut van een semantisch object dat geen object is.

Niet-typegeldig document

Een XML-document dat niet voldoet aan zijn DTD of dat geen DTD heeft. Zie ook: typegeldig document en schemageldig document.

Niet-specifieke relaties

In IDEF1X, een N:M-relatie.

Niveau

In OLAP, een (mogelijk hiërarchische) deelverzameling van een dimensie.

Node

Zie: knooppunt.

Nonrepeatable reads

De situatie die optreedt als een transactie eerder gelezen gegevens in- leest en wijzigingen of verwijderingen ontdekt die het gevolg zijn van een doorgevoerde transactie.

Normaalvorm

Een regel of verzameling regels over toegestane structuren van relatietabellen. Deze regels zijn van toepassing op attributen, functionele afhankelijkheden, meerwaardige afhankelijkheden, domeinen en randvoorwaarden. De belangrijkste normaalvormen zijn: 1NF, 2N F, 3NF, Boyce-Codd-normaalvorm, 4NF, 5NF en domein/sleutel-normaalvorm.

Normalisatie

Het evalueren van een relatie om vast te stellen of deze in een normaalvorm staat en het zo nodig converteren ervan naar relaties in een gewenste normaalvorm.

Nothing

In OOP, een objectverwijzing die wordt gebruikt om een objectpointer op null in te stellen of om te testen of een bepaalde objectpointer null is.

Nullwaarde

Een attribuutwaarde die nooit is geleverd. Dergelijke waarden zijn dubbelzinnig en kunnen betekenen dat (a) de waarde onbekend is, (b) de waarde niet van toepassing is of (c) dat er bekend is dat de waarde leeg is.

O

Object

(1) Een semantisch object. (2) Een structuur in een objectgeoriënteerd programma met een ingekapselde gegevensstructuur en gegevensmethoden. Zulke objecten worden zodanig in een hiërarchie gerangschikt dat objecten methoden van hun parents kunnen erven. (2) In beveiligingssystemen, een gegevenseenheid die door een wachtwoord of op een andere manier wordt beschermd.

Objectattribuut

Een attribuut van een semantisch object dat een koppeling naar een object representeert.

Objectconstructor

Bij objectgeoriënteerd programmeren, een functie die een object creëert.

Objectdestructor

Bij objectgeoriënteerd programmeren, een functie die een object vernietigt.

Objectdiagram

Een staande rechthoek die de structuur van een semantisch object voorstelt.

Objectgeoriënteerd programmeren

Een stijl van computerprogrammeren waarbij programma’s worden ontwikkeld als verzamelingen van objecten die gegevensleden en methoden hebben. Objecten communiceren met elkaar door elkaars methoden aan te roepen.

Objectidentifier

Een attribuut dat wordt gebruikt om een objectinstantie te specificeren. Objectidentifiers kunnen uniek zijn, in welk geval ze altijd dezelfde instantie identificeren, of niet uniek, wat betekent dat ze precies één objectinstantie identificeren.

Objectinstantie

Een specifieke instantie van een bepaald semantisch object, bijvoorbeeld het semantische object VERKOPER waarvan Achternaam gelijk is aan Jagen

Objectklasse

Bij objectgeoriënteerd programmeren, een verzameling objecten met dezelfde algemene structuun

Objectklassenbibliotheek

Bij objectgeoriënteerd programmeren, een verzameling objectklassen, waarbij alle klassen in de verzameling meestal een soortgelijk doel hebben.

Objectpersistentie

Bij objectgeoriënteerd programmeren, het kenmerk dat een object kan worden opgeslagen naar niet-vluchtig geheugen, zoals een schijf. Persistente objecten blijven bestaan nadat een programma afgesloten is.

Object-relationeel DBMS

DBMS-product dat relationele en objectgeoriënteerde programmeergegevensstructuren ondersteunt, zoals Oracle.

Objectview

Het deel van een semantisch object dat zichtbaar is voor een bepaalde toepassing. Een view bestaat uit de naam van het semantische object plus een lijst met attributen die zichtbaar zijn in deze view.

ODBC

Zie: Open Database Connectivity-standaard.

ODMG-93

Een rapport uitgegeven door de Object Data Management Group, een consortium van leveranciers van objectdatabases en andere belangstellenden. In het rapport worden de ideeën van een andere groep, de Object Management Group, toegepast op het probleem van objectdatabases. Het eerste ODMG-rapport is opgesteld in en heeft als titel ODMG-93.

OLAP

On-Line Analytical Processing. Een manier van dynamische gegevenspresentatie waarbij gegevens worden samengevat, geaggregeerd, gedeaggregeerd en weergegeven in de vorm van een tabel of kubus.

OLE DB

De op COM-gebaseerde basis van gegevensbenadering in de Microsoft-omgeving. OLE DB-objecten ondersteunen de objectenstandaard OLE. ADO is gebaseerd op OLE DB.

OLE object

Object Linking en Embedding-object. COM-objecten die interfaces ondersteunen voor het inbedden in andere objecten.

On-Line Analytical Processing

Zie: OLAP.

One-to-one (1:1) relatie

Zie: een-op-een-relatie.

One-to-many (1:N) relatie

Zie: een-op-veel-relatie.

OOP

Zie: objectgeoriënteerd programmeren.

Opdracht (command)

Een statement dat door de gebruiker aan de databasetoepassing wordt verstrekt om een bepaalde bewerking uit te voeren. Zie ook: Menu.

Open Database Connectivity-standaard (ODBC)

Een standaardinterface via welke applicatieprogramma’s SQL-databases (of tabelstructuren zoals spreadsheets en teksttabellen) op een DBMS-onafhankelijke wijze kunnen benaderen en verwerken. De stuurprogrammamanager van ODBC is ingebouwd in Windows. ODBC-stuurprogramma’s worden geleverd door DBMS-leveranciers, door Microsoft en door andere softwareontwikkelbedrijven.

Opgeslagen procedure (stored procedure)

Een verzameling SQL-statements die zijn opgeslagen als een bestand dat door een enkele opdracht kan worden aangeroepen. DBMS producten bieden meestal een taal voor het maken van opgeslagen procedures die de mogelijkheden van SQL uitbreidt met programmeertaalconstructies. Oracle levert PL/SQL voor dit doeleinde en SQL Server voorziet in TRANSACT/SQL. Bij sommige producten kunnen opgeslagen procedures in een standaardtaal zoals Java worden geschreven. Opgeslagen procedures worden in de database zelf opgeslagen.

Optimistische locking

Een lockstrategie die ervan uitgaat dat er geen conflict zal plaatsvin. den, een transactie verwerkt en vervolgens nagaat of er toch een conflict is opgetreden. Als dat zo is, wordt de transactie afgebroken. Zie ook: pessimistische locking.

Option button

Zie: keuzerondje.

Orphan (wees)

Elke rij (record) zonder parent in een verplichte een-op-veel-relatie.

Outer join

Een join waarbij alle rijen van een tabel in de resulterende relatie voorkomen, of ze nu wel of niet voldoen aan de join-voorwaarde. In een left outer join verschijnen alle rijen uit de relatie aan de Enkerkant en in een right outer join verschijnen alle rijen uit de relatie aan de rechterkant.

Overerving (inheritance)

Een kenmerk van objectgeoriënteerde systemen, waarbij subtypeobjecten (children) attributen van hun supertypen (parents) overnemen.

Overheadgegevens

Metadata gecreëerd door het DBMS om de verwerkingssnelheid te vergroten. Bijvoorbeeld indexen en gekoppelde lijsten.

Owner

Zie: eigenaar

P

Paarsgewijs attribuut

In een semantisch object komen objectattributen paarsgewijs voor. Als object A een objectattribuut van object B heeft, heeft object B automatisch een objectattribuut van object A — de objectattributen komen dus paarsgewijs voor.

Parent

Een rij of knooppunt aan de een-kant van een een-op-veel-relatie.

Partitie

(1) Een deel van een gedistribueerde database. (2) Het deel van een netwerk dat is gescheiden van de rest van het netwerk tijdens een netwerkstoring.

PDO

(PHP Data Objects) Een specificatie voor gegevenstoegang dat PHP-programmeurs in staat stelt dezelfde functies te gebruiken onafhankelijk van het gebruikte DBMS.

Persistent object

Een OOE-object dat naar een persistente opslagplaats is geschreven.

Pessimistische locking

Een lockstrategie die conflicten voorkomt door locks te plaatsen voordat databaselees- en schrijfverzoeken worden verwerkt. Zie ook: optimistische locking en deadlock.

Phantom reads

De situatie die optreedt als een transactie eerder gelezen gegevens inleest en daarbij nieuwe rijen aantreft die door een doorgevoerde transactie zijn ingevoegd.

PHP

Een scripttaal om dynamische webpagina’s te maken. Bevat objectgeoriënteerde componenten en PHP Data Objects (Zie PDO).

PL/SQL

Programming Language for SQL. Een door Oracle geleverde taal die SQL uitbreidt met programmeertaaistructuren zoals while-lussen, if-then-else-blokken en andere constructies. PL/SQL wordt gebruikt voor het maken van opgeslagen procedures en triggers.

Plat bestand

Zie: Flat file.

Pointer

Een adres naar een instantie van een gegevenselement in een structuur.

Polymorfie

In OOP de situatie waarin een enkele naam kan worden gebruikt voor het aan- roepen van verschillende functies. Polymorfie waarin de functies worden onderscheiden door verschillende volgordes van parameters, wordt ook wel parametrische polymorfie genoemd. De namen worden tijdens het compileren door de compiler ingevuld. Polymorfie waarbij de functies worden onderscheiden door objectovererving, wordt ook wel overervingspolyrnorfie genoemd. De namen worden hier tijdens runtime ingevuld door vast te stellen welk objecttype wordt aangeroepen.

Primaire sleutel

De kandidaatsleutel die is gekozen als de sleutel van een relatie.

Processing interface-subsysteem

Het deel van het DBMS dat opdrachten voor bewerkingen op de database uitvoert Het accepteert invoer van interactieve queryprogramma’s en van applicatieprogramma’s geschreven in standaardtalen of DBMS-specifieke talen.
Programma/gegevensonafhankelijkheid: De situatie waarin de structuur van de gegevens niet in applicatieprogramma’s wordt gedefinieerd. De structuur wordt in plaats daarvan in de database gedefinieerd en de applicatieprogramma’s verkrijgen de structuur daarna van het DBMS. Op deze manier kunnen wijzigingen in de gegevensstructuren worden aangebracht zonder dat de applicatieprogramma’s moeten worden aangepast.

Property

Hetzelfde als attribuut.

Proponent

Zie: gegevensverantwoordelijke.

Prototype

Een demonstratieversie van een (deel van een) toepassing die snel is gemaakt.

Q

QBE

Query-by-example. Een stijl van queryinterface, ontwikkeld door IBM, die nu ook door andere leveranciers wordt gebruikt, die gebruikers in staat stelt query’s uit te drukken door voorbeelden te leveren van de resultaten die ze zoeken.

Query/updatetaal

Een taal waarmee eindgebruikers gegevens uit de database kunnen opvragen en bewerken.

Queryinterface

Een interface in Microsoft-COM die kan worden gebruikt om te bepalen welke objecten, methoden en eigenschappen door een ActiveX-programma worden ondersteund.

R

R-score

De score (in REM-analyse) die weergeeft hoe recent een klant een aankoop deed.

Randvoorwaarde (constraint)

Een regel die aangeeft welke attribuutwaarden tot een geldig resultaat kunnen leiden. Een randvoorwaarde omvat volgens de definitie van de domein/ sleutel-normaalvorm geen dynamische, aan de tijd gerelateerde regels zoals ‘VerkoperSalans kan nooit afnemen’ of ‘Salaris_nu moet groter zijn dan Salaris_vorig_kwartaal’.

Rapportagesysteem

Een business intelligence systeem dat gegevens verwerkt door filteren, sorteren en het maken van eenvoudige berekeningen. OLAP is een voorbeeld van zo’n systeem. Tegenhanger is dataminingsysteem.

RDS

Zie: Remote Data Services.

Read committed

Een transactie-isolatieniveau dat dirty reads verbiedt, maar wel nonrepeatable reads en phantom reads toestaat.

Read uncommitted

Een transactie-isolatieniveau dat dirty reads, nonrepeatable reads en phantom reads toestaat.

Record

(1) Een groep velden die betrekking hebben op dezelfde entiteit wordt gebruikt in bestandsverwerkingssystemen. (2) In een relationeel model, een synoniem voor rij of tuple.

Recordset

Een ADO-object dat een relatie voorstelt gecreëerd als het resultaat van het uitvoeren van een SQL-statement of een opgeslagen procedure.

Recursieve relatie

Een relatie tussen entiteiten, objecten of rijen van hetzelfde type. Als KLANTen bijvoorbeeld verwijzen naar andere KLANTen, dan is de relatie verwijst naar een recursieve relatie.

ReDo-bestanden

In Oracle, back-ups van rollback-segmeriten, die worden gebruikt voor back-up en recovery. Er bestaan online en offiine ReDo-bestanden.

Referentiële integriteitsacties

Regels die opgeven welke activiteiten er moeten worden uitgevoerd als er invoeg-, bijwerk- of verwijderacties optreden in de parent- of de childentiteiten in een relatie. Mogelijke acties zijn none (geen actie), cascading (trapsgewijs uitvoeren), set default (standaardwaarde instellen), set null (de waarde null instellen) en restrict (de waarde beperken).

Referentiële integriteitsvoorwaarde

Een relatierandvoorwaarde voor waarden van externe sleutels. Een referentiële integriteitsvoorwaarde geeft aan dat de waarden van een externe sleutel een correcte deelverzameling moeten zijn van de waarden van de primaire sleutel waar de externe sleutel naar verwijst.

Relatie

(1) Tabel - een tweedimensionale array dat enkelwaardige gegevens bevat, zonder dubbele rijen. De betekenis van de kolommen is hetzelfde voor elke rij. De volgorde van de rijen en kolommen is onbelangrijk. (2) Een koppeling tussen twee entiteiten, objecten of rijen van relaties.

Relatiekardinaliteitsrandvoorwaarde

Een randvoorwaarde gesteld aan het aantal rijen dat kan deelnemen aan een relatie. De minimale kardinaliteitsrandvoorwaarden bepalen het aantal rijen dat moet deelnemen en de maximale kardinaliteitsrandvoorwaarden geven aan hoeveel rijen er maximaal mogen deelnemen.

Relationeel gegevensmodel

Een gegevensmodel waarbij gegevens worden opgeslagen in relaties en waarbij relaties tussen rijen worden voorgesteld door gegevenswaarden.

Relationeel schema

Een verzameling relaties met referentiële integriteitsvoorwaarden en andere aan de relaties opgelegde randvoorwaarden.

Relationele database

Een database die uit relaties is opgebouwd. In de praktijk bevatten relationele databases vaak relaties met dubbele rijen. De meeste DBMS-producten kennen een mogelijlcheid voor het verwijderen van gedupliceerde rijen. Dergelijke rijen worden standaard niet verwijderd, omdat dat veel tijd en moeite kan kosten.

Remote Data Services (RDS)

Een verzameling ActiveX-besturingselementen en functies waarmee gegevens kunnen worden gebufferd op een clientmachine en vervolgens kunnen worden opgemaakt, gesorteerd en gefilterd zonder hulp van de webserver.

Repeatable read

Een transactie-isolatieniveau dat dirty reads en nonrepeatable reads verbiedt. Phantom reads kunnen wel voorkomen.

Replicatie

In Oracle en SQL Server, een term die verwijst naar databases die op meer dan één computer worden opgeslagen.

Replicatietransparantie

In een gedistribueerd databasesysteem de situatie waarin applicatieprogramma’s niet weten en ook niet hoeven te weten of gegevens gerepliceerd zijn. Het DDBMS zorgt er automatisch voor dat alle kopieën op consistente wijze worden bijgewerkt, dus zonder tussenkomst van het applicatieprogramma.

Repository

Een verzameling metadata over databasestructuur, toepassingen, webpagina’s, gebruikers en andere applicatiecomponeriten. Actieve repository’s worden automatisch bijgehouden door tools in de applicatieontwikkelomgeving. Passieve repository’s moeten met de hand worden bijgewerkt.

Resource locking

Zie: lock.

Resource-sharingarchitectuur

De structuur van een Local Area Network waarin één microcomputer de bestandsverwerking uitvoert voor andere microcomputers. In een databasetoepassing bevat elke gebruikerscomputer een kopie van het DBMS dat in- en uitvoerverzoeken naar de file-server doorstuurt. De file-server verzorgt alleen de bestands-I/O - alle databaseactiviteiten worden uitgevoerd door het DBMS op de gebruikerscomputer.

Reverse engineered gegevensmodel

Het gegevensmodel dat het resultaat is van reverse engineering. Het is geen conceptueel model, want het omvat fysieke structuren zoals doorsnedetabellen. Het is echter meer conceptueel dan een databaseschema.

Reverse engineering

Het proces van het lezen van de structuur van een bestaande database en het maken van een reverse engineered gegevensmodel op basis van dat schema.

RFM-analyse

Rapportagesysteem dat klanten indeelt naar hun koopgedrag: hoe recentelijk (R) heeft een ldant besteld, hoe vaak (frequently — F), en hoeveel geld (money — M) heeft de klant per bestelling besteedt.

Rij

Een groep kolommen in een tabel. Alle kolommen in een rij hebben betrekking op dezelfde entiteit. Een rij is hetzelfde als een tuple of een record.

Rij-identifier

In SQL3, een unieke, door het systeem geleverde identifier — een surrogaatsleutel. De rij-identifier kan zichtbaar worden gemaakt door WITH IDENTITY aan de tabel- definitie toe te voegen.
Rijobject: In Oracle, een tabel die objecten als zijn rijen bevat.

Rijset

In OLE DB, een abstractie van gegevensverzamelingen zoals recordsets, e-mailadressen en niet-relationele en andere gegevens.
ROLAP: Relationele OLAP, waarbij gebruik wordt gemaakt van een relationeel DBMS voor het ondersteunen van OLAP-verwerking.

Rollback

Een herstelprocedure voor een database, waarbij before images worden toegepast op de database om terug te keren naar een eerder checkpoint of een ander punt waarop de database logisch consistent was.

Rollbacksegment

In Oracle, een buffer die wordt gebruikt om before images op te slaan voor concurrencybeheer en transactielogging. Rollbacksegmenten kunnen worden gearchiveerd en later worden gebruikt voor recovery.

Rollforward

Een herstelprocedure voor een database, waarbij after images worden toegepast op een opgeslagen kopie van de database om een checkpoint te bereiken, of een ander punt waarop de database logisch consistent is.
Root: Zie: wortel.

S

Samengesteld object (composite object)

Een object met ten minste één meerwaardig(e) attribuut(groep). Wordt een samengesteld object genoemd, omdat de sleutel van de relatie die dit attribuut of deze attribuutgroep vertegenwoordigt altijd een samengestelde sleutel is.

Samengestelde groep (composite group)

Een groep attributen in een semantisch object dat meerwaardig is en geen andere objectattributen bevat.

Samengestelde sleutel (composite key)

Een sleutel met meer dan één attribuut.

Samenvoeging

Zie: join.

SAX

Simple API (applicatieprogramma-interface) for XML. Een op gebeurtenissen gebaseerNetwork de parser die een programma waarschuwt als hij tijdens het parsen elementen van een XML-document tegenkomt.

Schema

Een volledige logische view van de database.

Schemageldig document

Een XML-document dat voldoet aan zijn XML Schemadefinitie.

Schuifbare cursor

Een cursortype dat vooruit en achteruit bewegen door een recordset mo structuren gelijk maakt. In dit boek zijn drie schuifbare cursortypen behandeld: snapshot of statisch, keyset en dynamisch.

SCN

Zie: System Change Number.

Selectievakje (check box)

In een Gul-omgeving, een element van de gebruikersinterface waarin een gebruiker een of meer items uit een lijst kan kiezen door op ze te mikken.

Semantisch objectdiagram

Hetzelfde als een objectdiagram.

Semantisch objectmodel

De constructies en afspraken die worden gebruikt om een model van de gebruikersgegevens op te stellen. De grootheden in de gebruikersomgeving worden voorgesteld door semantische objecten (soms kortweg objecten genoemd). Relaties worden in de objecten gemodelleerd en de resultaten worden meestal in objectdiagram men gedocumenteerd.

Semantische objectview

Het deel van een semantisch object dat zichtbaar is in een formulier of een rapport.

Serializable (serialiseerbaar)

Een transactie-isolatieniveau dat dirty reads, nonrepeatable reads en phantom reads niet toestaat.

Serviceprovider

Een OLE DB-gegevensleverancier die gegevens transformeert. Een serviceprovider is zowel een gegevensconsument als een gegevensleverancier.

Servlet

Een gecompileerd, machineonafhankelijk Java-bytecodeprogramma dat wordt uitgeeenvoerd door een Java virtuele machine op een webserver.

SGML

Zie: Standard Generalized Markup Language.

Shared lock (gedeelde lock)

Een lock op een gegevensbron waarbij slechts één transactie de gegevens mag wijzigen, maar die het veel transacties toestaat de gegevens tegelijkertijd te lezen.

Sibling

Een record of knooppunt met dezelfde parent als een andere record of een ander knooppunt.

Simple Object Access Protocol

Een standaard die wordt gebruikt voor externe procedureaanroepen. Gebruikt XML voor het definiëren van de gegevens en http voor het transport. Zie ook: SOAP.

Single-tier driver

Zie: eenlaagsstuurprogramma.

Sleutel (key)

(1) Een groep van een of meer attributen die een rij in een relatie op unieke wijze identificeren. Omdat in relaties geen dubbele rijen mogen voorkomen, moet elke relatie over minstens één sleutel beschikken, die de samenstelling is van alle attributen in de relatie. Wordt soms ook wel een logische sleutel genoemd. (2) In bepaalde relationele DBMS-producteri, een index op een kolom om gegevens sneller te benaderen en te sorteren. Wordt soms ook wel een fysieke sleutel genoemd.
Slice: In 0 LAP, een dimensie of maateenheid die voor een bepaalde weergave constant wordt gehouden.

Sneeuwvlokschema

Een tabeistructuur in een OLAP-database waarbij de dimensietabellen een aantal niveaus verwijderd kunnen zijn van de tabel met de meetwaarden. Dergelijke dimensietabellen worden meestal genormaliseerd. Zie ook: sterschema.

SOAP

Origineel: Simple Object Access Protocol. Dit is tegenwoordig een protocol voor het verzenden van procedureaanroepen die van het Simple Object Access Protocol verschilt, omdat er ook andere protocollen naast http kunnen worden gebruikt.

SQL

Structured Query Language. Een taal voor het definiëren van de structuur en het verwerken van een relationele database. Kan op zichzelf worden gebruikt, of kan worden ingebed in applicatieprogramma’s. De meest voorkomende versie is SQL-92, een versie die in 1992 door het ANSI (American National Standards Institute) is geaccepteerd als een Amerikaanse nationale standaard. SQL is origineel ontwikkeld door IBM.

SQL3

SQL3 is een uitbreiding op de databasestandaard SQL-92 en biedt ondersteuning voor objectgeoriënteerd databasebeheer. Ontwikkeld door de standaardisatiecommissies ANSI X3Hz en 150/lEG JTCI/SC2I/WG3.

SQL-view

Een relatie die wordt geconstrueerd uit één SQL SELECT-statement. SQL-views hebben maximaal één meerwaardig pad. De term view betekent in de meeste DBMS-producten, inclusief Access, Oracle en SQL Server, SQL-view.

Standaardnaamruimte (default namespace)

In een XML Schemadocument, de naamruimte die wordt gebruikt voor alle niet-gelabelde elementen.
Standard Generalized Markup Language (SGML): Een standaardmethode voor het markeren van de opmaak, structuur en inhoud van documenten. HTML is een toepassing van SGML. XML is een subset van SGML.

Statementniveau, consistentie op

Alle rijen waarop een bepaald SQL.statement betrekking heeft, worden beschermd tegen wijzigingen door andere gebruikers gedurende het uitvoeren van het statement. Zie ook: transactieniveau, consistentie op.

Sterke entiteit

In het E-R-rnodel, een entiteit waarvan het bestaan in de database niet afhankelijk is van de aanwezigheid van een andere entiteit. Zie ook: ID-afhankelijke entiteit en zwakke entiteit.

Sterschema

Een tabelstructuur in een OLAP-database waarbij elke dimensietabel grenst aan de tabel met de meetwaarden. In een sterschema zijn de dimensietabellen vaak niet genormaliseerd. Zie ook: sneeuwvlokschema.

Stored procedure

Zie: opgeslagen procedure.

Storingstransparantie

In een gedistribueerd databasesysteem, de toestand waarin applicatieprogramma’s storingsongevoelig zijn.
Stuurprogramma (driver): In ODBC, een programma dat fungeert als een interface tussen de ODBC-stuurprogramma-manager en een bepaald DBMS-product. Draait op de cliëntmachines in een cliënt-serverarchitectuur.

Stuurprogramma-manager (driver manager)

In ODBC, een programma dat fungeert als een interface tussen een applicatieprogramma en een ODBC-stuurprogramma. Bepaalt het vereiste stuurprogramma, laadt dit in het geheugen en coördineert de activiteit tussen de toepassing en het stuurprogramma. Wordt op Windows-systemen geleverd door Microsoft.

Subtabel

In SQL3, een tabel die een subtype is van een andere tabel, de zogeheten supertabel.

Subtype

In generalisatiehiërarchieën een entiteit die of een object dat een subcategorie i5 van een type van een hoger niveau. Bijvoorbeeld: INGENIEUR is een subtype van MEDEWERKER.

Supertabel

In SQL3, een tabel met een of meer subtabellen.

Supertype

In generalisatiehiërarchieën, een entiteit die of een object dat logisch gezien een aantal subtyrpen bevat. Bijvoorbeeld: MEDEWERKER is een supertype van INGENIEUR, BOEKHOUDER en MANAGER.

Surrogaatsleutel

Een unieke, door het systeem geleverde identifier die als de pnmaire sleutel van een relatie wordt gebruikt. De waarden van een surrogaatsleutel hebben geen betekenis voor de gebruikers en zijn meestal verborgen in formulieren en rapporten.

Swizzling

In OOP, het omzetten van een permanente objectidentifier in een adres in het geheugen, of omgekeerd.
Systeemgegevensbron: Een ODBC-gegevensbron die lokaal is voor een computer en kan worden benaderd door het besturingssysteem van die computer en bepaalde gebruikers van dat besturingssysteem.

System Change Number (SCN)

In Oracle, een voor de hele database geldende waarde die wordt gebruikt om wijzigingen in de databasegegevens te ordenen. Het SCN wordt met één verhoogd als wijzigingen in de database worden doorgevoerd.

T

Tabulaire gegevensleverancier

Een OLE DB-gegevensleverancier die gegevens aanbiedt in de vorm van rijsets.

Tak (branch)

Een subelement van een boomstmctuur dat kan bestaan uit een of meer Target namespace (doelnaamruimte): In een XML Schemadocument, de naammimte die door het schema gemaakt zal worden.

Three-tier architecture

Zie: drielaagsarchitectuur.

Toepassing

Een bedrijfscomputersysteem dat een deel van een database verwerkt om te volsietabellen
doen aan de informatiebehoeften van een gebruiker. Bestaat uit menu’s, formulieren, rapporten, query’s, webpagina’s en applicatieprogramma’s.

Top-down-databaseontwerp

Het ontwerpen van een database waarbij vanuit het algemene naar het specifieke wordt gewerkt. De resulterende database kan alle behoeften binnen een organisatie dekken, maar het gevaar bestaat dat zij nooit af komt. Zie ook: bottom-up-databaseontwerp.

TN5ACT/5QL

Een taal van Microsofi die onderdeel is van SQL Sener. Het is een uitbreiding op SQL met programmeertaalstructuren zoals while-lussen, if-then-else-blokken en andere constructies. TRANSACT/SQL wordt gebruikt voor het maken van opgeslagen procedures en triggers. Wordt soms ook wel T/SQL genoemd.
Transactie: (1) Een atomaire transactie. (2) Zakelijke overeenkomst.

Transactiegrens

De groep databaseopdrachten die als één geheel moet worden doorgevoerd of worden geannuleerd.

Transactie-isolatieniveau

De mate waarin een databasetransactie is beschermd tegen bewerkingen van andere transacties. De SQL-standaard uit 1992 heeft vier isolatieniveaus gespecificeerd: Read Uncommitted, Read Committed, Repeatable Reads en Serializable.

Transactieknooppunt

In een gedistribueerd databasesysteem, een computer die een gedistribueerde transactiemanager verwerkt.

Transactieniveau, consistentie op

Alle rijen waarop een van de SQL-statements in een transactie betrekking heeft, worden beschermd tegen wijzigingen gedurende de gehele transactie. Deze mate van consistentie is lastig op te leggen en resulteert meestal in een lagere verwerkingssnelheid. Het kan ook betekenen dat een transactie haar eigen wijzigingen niet kan zien. Zie ook: statementniveau, consistentie op.

Transiënt object

In OOP, een object dat niet is geschreven voor permanente opslag. Het object gaat verloren als het programma wordt beëindigd.

Transitieve afhankelijkheid

In een relatie met minstens drie attributen, bijvoorbeeld R(A, B, C), de situatie waarin A B bepaalt en B C bepaalt, maar B niet A bepaalt.

Trapsgewijze updates (cascading updates)

Een referentiële integriteitsactie die bepaalt dat de overeenkomstige externe sleutels in childrijen ook moeten worden bijgewerkt als de sleutel van een parentrij wordt bijgewerkt.

Trapsgewijze verwijdering (cascading deletion)

Een referentiële integriteitsactie die bepaalt dat alle gerelateerde childrijen ook moeten worden verwijderd als er een parentrij wordt verwijderd.

Tree

Zie: boomstructuur.

Trigger

Een special type opgeslagen procedure dat wordt aangeroepen door het DBMS als aan een vooraf opgegeven voorwaarde wordt voldaan. BEFORE-triggers worden uitgevoerd véér een opgegeven databasebewerking, AFTER-triggers worden gestart nâ een opgegeven databasebewerking en INSTEAD OF-triggers worden uitgevoerd in plaats van een opgegeven databasebewerking. INSTEAD OF-triggers worden normaliter gebruikt voor het bijwerken van gegevens in SQL-views.

T-SQL

Zie: Transact-SQL.

Tuple

Synoniem voor rij.

Tweede normaalvorm

Een relatie in eerste normaalvorm waarbij alle niet-sleutelattributen van de volledige sleutel afhankelijk zijn.

Tweefasedoorvoeralgoritme (two-phase commitment)

In een gedistribueerd databasesysteem, een algoritme waarbij knooppunten ‘stemmen’ over de vraag of ze een transactie kunnen doorvoeren. Als alle knooppunten ‘Ja’ stemmen, wordt de transactie doorgevoerd. Als een van de knooppunten ‘Nee’ stemt, wordt de transactie afgebroken. Een tweefasedoorvoeralgortime is nodig om inconsistente verwerking in gedistribueerde databases te voorkomen.

Tweefaselocking

Een procedure waarbij locks in twee fasen worden geplaatst en vrijgegeven. Tijdens de groeifase worden de locks geplaatst en in de krimpfase worden ze weer vrijgegeven. Zodra er een lock is vrijgegeven, wordt die transactie aan geen enkele andere lock meer verleend. Een dergelijke procedure zorgt voor consistentie in databasewijzigingen in een omgeving waar gelijktijdige verwerking plaatsvindt.

Typedomein

In IDEFiX, een domein dat is gedefinieerd als een subset van een basisdomein of een ander typedomein.

Typegeldig document

Een XML-document dat in overeenstemming is met zijn DTD. Zie ook: niet-typegeldig document.

U

UML

Unified Modeling Language. Een verzameling structuren en technieken voor het modelleren en ontwerpen van objectgeoriënteerde programma’s en toepassingen. UML is zowel een methodiek als een verzameling ontwikkeltools. UML omvat het E-R-model voor gegevensmodellering.

Unified Modeling Language

Zie: UML.

Updatable view

Een SQL-view die kan worden bijgewerkt. De regels die bepalen of een view al dan niet kan worden bijgewerkt zijn erg ingewikkeld. Zie figuur 7.13. Niet-bijwerkbare views kunnen bijwerkbaar worden gemaakt door INSTEAD OF-triggers te schrijven.

User view

In het model met drie schema’s, het deel van de database dat door een gebruiker of een groep gebruikers wordt bekeken. Synoniem voor externe view.

V

VBScript

Een vrij eenvoudig te leren geïnterpreteerde taal voor het verwerken van webserveren webclient-toepassingen — een subtaal van Microsoft Visual Basic.

Veel-op-veel-relatie

Een relatie waarbij een parent (of een rij in een parenttabel) gerelateerd is aan veel childinstanties (of rijen in een childtabel). Tegelijkertijd kan een childinstantie (of rij in de childtabel) gerelateerd zijn aan veel parentinstanties (of rijen in de parenttabel).

Veld

(1) Een logische groep bytes in een record bij bestandsverwerking. (2) In de context van een relationeel model een synoniem voor attribuut.

Verbindingsrelatie

In IDEF1X, een 1:1 of 1:N HEEFT-EEN-relatie.

Verticale beveiliging

Toegang beperken tot bepaalde kolommen van een tabel of join.

Verticale partitie

Een deelverzameling van de kolommen van een tabel. Bijvoorbeeld de eerste vijf kolommen in een tabel met tien kolommen.

Verwerkingsrechten en -verantwoordelijkheden

Beleid van een Organisatie waarin is vastgelegd wie welke handelingen mag uitvoeren op bepaalde gegevenselementen of andere gegevensverzamelingen.

Verwijderanomalie

Treedt op in een relatie als er gegevens over twee of meer onderwerpen verloren gaan als er een enkele rij uit een tabel wordt verwijderd.

Verzameling (collection)

Een object dat een groep andere objecten bevat. Voorbeelden zijn de Names-, Errors- en Parameterverzamelingen in ADO.

Vierde normaalvorm

Een relatie in Boyce-Codd-normaalvorm waarin elke meerwaardige afhankelijkheid een functionele afhankelijkheid is.

View

Een gestructureerde lijst met gegevenselementen van entiteiten of semantische objecten die gedefinieerd zijn in het gegevensmodel.

Volledige categoriecluster

Een categoriecluster waarin alle mogelijke categorie-entiteiten zijn gedefinieerd. De algemene entiteit moet een van de categorie-entiteiten zijn.

W

WAMP

AMP dat onder Windows draait. Zie: AMP.

Wees

Zie: orphan.

Wijziginganomalie

Een situatie waarbij door het opslaan van één rij in een tabel feiten over twee of meer onderwerpen worden vastgelegd of waarbij door het verwijderen van één rij uit een tabel feiten over twee of meer onderwerpen worden geëlimineerd.

Wortel (root)

De bovenste record, rij of het bovenste knooppunt in een boomstructuut Een wortel heeft geen parent.

X

XML

eXtensible Markup Language. Een standaardmarkeertaal die zorgt voor een duidelijke scheiding tussen structuur, inhoud en materialisatie. Kan willekeurige hiërarchieën representeren en daarom worden gebruikt voor het overdragen van elke willekeurige databaseview.

XML Namespaces

Een standaard waarmee namen aan gedefinieerde verzamelingen kunnen worden toegekend. X:Naam wordt geïnterpreteerd als het element Naam zoals het is gedefinieerd in de naamruimte X. Y:Naam wordt geïnterpreteerd als het element Naam zoals het is gedefinieerd in de naamruimte Y. Handig om dubbelzinnigheid van bepaalde termen te voorkomen.

XML Schema

Een taal die in overeenstemming is met XML, waarmee de structuur van een XML-document kan worden vastgelegd. Is een uitbreiding op en vervanging van DTD’s. De standaarden worden nog steeds verder ontwikkeld — erg belangrijk voor databaseverwerking.

XPath

Een subtaal binnen XSLT waarmee te transformeren onderdelen van een XML-document worden geïdentificeerd. Kan ook worden gebruikt voor berekeningen en stringmanipulatie.Vermengd met XS LT.

XPointer

Een standaard voor het aan elkaar koppelen van documenten. XPath bevat veel elementen van XPointer

XQuery

Een standaard waarmee databasequery’s als XML.documenten kunnen worden uitgedrukt. De structuur van de query gebruikt XPath-voorzieningen en het resultaat van de query wordt afgebeeld in een XML-indeling. Is nog in ontwikkeling en zal in de toekomst waarschijnlijk belangrijk worden.

XSL

XSLT Stylesheet. Het document dat zorgt voor de {overeenkomst, actie}-paren en andere gegevens voor XSLT die kunnen worden gebruikt tijdens het transformeren van een XML-document.

XSLT

Extensible Style Language: Transformations. Een programma (of proces) dat XSLT Stylesheets toepast op een XML-document voor het produceren van een getransformeerd XML-document.

Y

 

Z

Zwakke entiteit

In het ER-model, een entiteit waarvan het logische bestaan in de database afhangt van het bestaan van een andere entiteit. Zie ook: ID-afhankelijke entiteit, sterke entiteit en identificerende verbindingsrelatie.